Mosterd

Zat van dit matte zotte leven dat zich ongevraagd ontvouwt, hij doet het af en strekt zijn armen welkom naar haar kou. De verstrengeling is eeuwig, als ook zijn lippen blauw. De nauwe gangen van dit oude huis, waar de ruis van zijn verleden de verwijzingen verschuift, volledig kuis en rein van zeden geven ook deze keer niet thuis.

Zij fluistert dat het eens nog goed komt, de mompeling verstomd in zijn vermomming en struikeld daarna dikwijls over haar onbehoorlijke gelijk, een blijkbare noodzaak ging vooraf en straft hem voor de vrijheid die hij nam. Het kwam hem duur te staan, ontdaan van de glans en begaan met blaam.

Het heeft geen naam. 


Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het licht en getagged . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie