Opening Gedicht – epiloog

Hij had haar net te laat ontmoet daar kort hiervoor was zij nog erg goed van geloven, ook wilde zij graag boven op maar onderneemt vandaag hiertoe geen poging. Hij trekt zijn sokken iets omhoog en bedankt voor de beloning, deze radeloze droogte en vraagt om thee met honing.

Hij stopt zijn wonden onder in de kast, veegt losjes dan wat last weg van zijn schouder en wacht op de koude hand die zijn oude dansen vertrouwen komt voeren. De trage tekening die tijd in zijn ogen roeren bleef was vermoedelijk erg droevig als waarschijnlijk ook beleefd, hij schreef hier niets meer over.

Zij vergeeft zijn zonden en hij belooft haar al zijn zinnen.

Binnen zijn armen, een warm onthaal en het staal dat glanzend het bot betast, de lastige gasten komen niet hier, een plezierig vertier en matig gepast. Zo kon hij vleugels steken in zijn weke schil en zijn horizonten mennen. Rennend wentelt hij haar treden, maar zal de gewenning aan haar redenen nooit kennen.

Post Scriptum

Een breekbare bekenning begeeft zich in zijn vertrekken, ze legt hem terzijde en wekt dan de gekte met haar fluisterend stralen. Hij verhaalt haar wetens te willen in stilte of bij haar billen te beginnen, volslagen beminnen en dwalen naar binnen in het buiten van zinnen om na een nacht met haar in zijn armen zacht en in rust, de lusten geblust het kussen te mogen delen.

Als vele, gevallen.



Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het donker en getagged . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie