Opening Gedicht Pt.4

Hij leeft al jaren samen met de geesten in zijn kamer en de ramen veilig dicht. De gedimde lichten verhullen zijn uitzichtloze blik en de tranen die hij snik voor snik vallen laat in het avondrode niks daar ergens links over zijn schouder. Hij was zeker niet ouder als vandaag de dag, noch traag van begrip of vaag van geweten. Hij deed daar weinig tegen en zegent de leegte met zijn overtuigende besluit, lippen getuit beseft zij toch tijdig hoe karig de buit en sluipt fluitend naar haar schaduw terug. Hij luwt vlug de stormende gedachte en kiest als verwacht voor de nooduitgang. Hij is niet bang voor de ijzige greep of de lange winter en sleept zijn stoel enkele meters dichter bij de huilende vlammen van zijn haard.

De wilde gebaren lijken gestaakt, de dageraad maakt hem lichter en terwijl hij niet langer verplicht dient te geloven in het zicht op de bodem stroomt hij over. Het belooft er vast gezellig te worden als hij de zotte borden die hij droeg voor zijn kop te pletter sloeg op de verstoffende toog. Onderwijl hoopte hij op haar en loog dat ze niet moest komen, hij woont in de stromende regen waar zijn dromen zich laven aan water dat tot zijn lippen reikt. Het bevrijdende eind van weer een nacht te lang en een leven te laat, het staat in de sterren geschreven.

Hij geeft niet op, zonder naar sterven te streven.



Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het donker en getagged . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie