Sleetse paden

Zo beziet hij vol zonde de gronden, onomwonden en laat verbazing ook thans niet falen. Als hij dan toch haar gebaren vertaald verslikt hij zich in haar gevaren.

Zij is niet meer wat hij van haar maken wil, de spil in zijn stoutste dromen, hij laat haar nu stilletjes en mag ook niet meer komen.

Hij slaat zijn glas achterover en spoelt het zout van zijn lippen, glipt dan zijn weer jas in en laat de rest maar zitten.

Waterruis achter duinen
zilte stilte op mijn tong
schuimend en watertuinen
rollen trots en voeren jong.

Wissen passen vers verleden
strijden getijden wankel evenwicht
bevreesd zozeer aanbeden
waterruis ‘t wordt weer licht.

Er is geen geheim meer als het grijs de lading dekt, de rek uit zijn adem trekt en hij zich gebrekkig onder haar spiegel schuift.

Hij wuift tot besluit.



Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het licht en getagged , . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie