Zijn refrein

Zijn guitige buiging betuigt zijn besluit tot zijn uiting van buitengewoon genoegen, hij droeg zijn zotte mantel van met de hand gestikt half garen waarin hij zijn jonge jaren bewaard en wroeging. Hij was er wellicht ooit goed in, al is ook deze waarheid achterhaald en krabt nu de faalheid moedeloos haar nagels aan hem kaal. Hij vermaalt zijn lust tot wolken en blust zijn verlangen naar meer met het zeer dat hem met aanhouding bezocht, of mogen mocht werd verder niet onderzocht.

Het tocht in de vochtige krochten die hij bezocht als het lot hem even niet mocht vinden, hij weeft er zijn dag rond de wachtende beelden van verre gezichten en schoenen die wringen.

Zo gaan dingen, als dat.



Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het licht en getagged . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie