Het is nu later

Hij kan niet meer van haar houden, de oude wonden stinken en de stoute schoenen zijn reeds te krap. Zij kent de klappen van de zweep, het is beleefd en vast het beste, dus hij wenst haar zijn geluk en warmt zich aan de resten. Smeulend aan de rand van zijn gezicht, het licht zal doof zijn. De pijn onbegrensd en los van teugels, geen leugens vrij in de lucht. Hij vlucht naar heuvels en rust zijn zuchten, stuk.

Wat niet is gaat nooit verloren, hij hoort de wolven in het koren langs de randen van de nacht. Hij huilt zacht mee, eenzaam en gedwee. Hij weet dat het moet, zijn hoed gelicht in een groet aan haar. Geen radeloos gemaar dat afbreuk doet, het bloed kruipt, sluipt jeukend langs zijn nagels krassend in zijn aders en wachtend op beslag. Hij bracht haar weg en zag zijn lach verbleken in het breken van de dag.

In gedachten mag hij haar al is het zwaar te geven met geweten en de redenen daartoe, de moed is moe en oppervlakkig. De achting stijgend in taboe. Hij laat gelaten en zoekt naar open water terwijl hij zwijgend blijft werken aan zijn boek. Haar doel vermoedt hij is even goed als prijzenswaardig, zo aardig is ze wel. Hij vertelt er niemand van, bang dat zij hem snappen. Iets waar hij niet mee leven kan.


Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het donker en getagged , , . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie