Kordaat

In de smeulende zon sterven resten van kon en al wat zij vonden in hun passende zonden rond gronden hiervoor. Geen zorgen ongehoord verstoren haar wonden als de smorende mond zich roert en hem verkeerd verbonden in de wacht zet. Zo belet zij verzet is de conclusie, hij stopt de confusie onverschillig bij zijn grillig karakter gillend in zijn binnenzak. Met een schijnbaar gemak dat verbleekt als de dag haar uren verspreekt aan tekenend zwijgen. Een bedreiging die hij wijs afzijdig loodst, aan noodzaak geen boodschap zo koos hij en besloot te springen.

Van dwingen geen sprake en dingen gaan als ze gaan. Zo ook dit bestaan waaraan hij eindigheid knoopt, de hoop delft slopend beloven. De genoten verdoving faalt groots. De ogen rood verrichten hun zichtbaar verplichte blikken de mist in. Hij verdicht zijn verlichting in kisten en zint op een nieuwe berisping en verser bloed. De vermoedens gestoeld op goed geloof vallen doof door de mand, het zand schuurt de voegen van zijn muur tot glanzende verbanden en de rand tot een warm welkom. Het waarom voor eeuwig in kwestie, abusievelijk obsessief & liefde misschien.



Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het licht en getagged . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie