Maskeren

Er spelen zaken in de kantlijn van het zijne, al is hiervan het fijne voornamelijk onduidelijk en loos van definitie. Een perceptie vanuit zijn positie, die hij bezwaard bevecht, levensecht en hevig dodelijk wellicht. Een plicht evengoed.

Hij dicht haar duizend dromen toe, allen even schoon en goed, voor giechels en gelach, hij zag haar graag. Hij beklaagt ook dikwijls haar afwezigheid doch is dankbaar voor haar tijd. Een spijtige conclusie in de confusie die hij in haar nasleep bereikt.

Hij wandelt blijkbaar zonder dekking en tracht zich te onttrekken aan voorkennis en bevlekking van het moment. Hij zoekt herkenning in het onbekende en heeft haar alles bekent. Zij rent nog steeds, weg, terug, in vlugge zuchten terwijl hij bruggen ziet verbranden.

Handen jeukend om hun tanden diep in haar te bezinken, klinkend op stilte en drinkend op geluk. Het stuk erna is hij vergeten, belet door geweten als ook dankbaar aan het schemer dat zich vrijelijk bewegend hen het zicht doet ontnemen en hij heel veel om haar geeft.

Beleefd bewijst zij haar diensten en leeft met hem mee.

Hij aanschouwt haar gezicht in een zilveren schaduw, de verlichting van haar fijne besnaring luwt en hij spaart dit ogenblik. Met de dageraad nog in haar mantel haast zij zich tot haar plaats, hij wil naast haar knielen maar struikelt over zijn woorden.

Helaas.



Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het licht en getagged . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie