Onbegrepen

Hij kent zijn plaats al overdacht hij laatst, overhaast en onterecht. Zij vlecht kalm en koel wat bloemen in de regels van dit gevecht. Hij zegt zich te verzetten al is dit zinloos en niet echt.

Zij wentelt zich in stilte en hij wilde haar nog meer, tot zeer en bloedens toe, moe gestreden kijkt hij hoe zij zich verkleedt. Hij weet nog te bedenken dat zij naar hem keek.

Hij bleef bij die gedachte.

De matte glans van de nacht ervoor danst nog in zijn ogen maar sterft niet veel later in de droogte van haar mond. Hij kon zich bij herinnering verzinnen in een gulle beminning die hij vond maar is haar aandacht plots verloren en raakt licht gewond. Op goede gronden bezwijkt hij aan haar eenzijdige bezinning. De overwinning voorbij.

Vrij naar geweten plaatst hij tekens aan de wand, verbanden rond de eindigheid van zijn verbijsterend verstand. In de schaduw van haar hand, aan de overkant verzandt hij in vragen.

Uit dagen verleden.

Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het licht en getagged . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie