Opstapje

Ze sterft een avond, lavend aan leven, de zegen geërfd & begraven. Als droge benen schrapend bedelen van het botte lot en draven in geleend galop. In recht genoegen vroeg de tijd haar lijn te snijden. Rijtjeshuizen rijden voor de dorst de plassen af, nog dapper grappend voor ze vallen. Koper en glanzend stallen zij hun buit. Hoorn klinkt jacht, uit slaven en luid gejuich.

De struiken zijn schoon, loos van geloof. De toon belonend en wijselijk doof. Als schokkerig donker hem bekroont met haar verdekken. De vertrekken zijn leeg, de beweging verzwegen en hij keek niet achterom naar de leegte gebleven.

Over leven.



Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het donker en getagged , . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie