Paradijsvogel

Gefladder aan zijn raamkozijn,

de schijn van manen in het eindeloos en schaduwen van levens ooit beloofd en nu voorbij. Op vleugels van paradijs in pluimage rijk en wijs vertoeft zij aan zijn venster. Hij wenst haar goede vluchten, plukt er vruchten uit de kreukels van de zuchten die zij lucht. Geruchten doet zij af als laster, die zij verwerpt vanaf gelach. Scherp geslepen omrand zij zacht zijn gebreken en het einde van hun dag met omslachtige nuance. Dan danst ze langs en weet hem te bezinnen, een zicht op winnen is hij afgeleerd. Geen weerbare excuses of illusie te besporen. De verstoorde bekoring knipt hij tot rozen, met doornen en al. Zij aanschouwt de vervallen hoogmoed, waar hij woorden broedt op een nieuwe begin. Kinderen van waanzin kleuren fleurig de wind in alle richtingen en blind voor obstructie. Hij verbindt zijn geluk aan de rust die de knusse belusting blust met haar vertekening van sprekend gelijk. Zij zweeft vrij voor altijd.


Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het licht en getagged , . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie