Spam

De vleugels zijn lam, de eer vervlogen, de veren verkleurd en de vlucht afgebroken.

Hij verdunt zijn goeder trouw met koud en ijzig staal, kabaal dat krijsend zijn wolven verscheurt, zij was aan de beurt. De sleur zo herkenbaar en anoniem zonder maar verdienste of geluk. Geen stukken beter dan haar zuster, hij kust haar klamme dood en drukt met ziel en zaligheid de lust uit haar dijen. Zij waren beide al jaren te laat. Het stateloze wonderkind aan de teugels van een vondeling. Zondig zingend tot er winter waait, de raven kraaiend op de balken. Hij zaait er oogsten, poogt dit zo ook morgen weer al kan hij niet beloven.


Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het licht en getagged , . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie