Verplaatsen

Als de ketting verbreekt verkleden de meesters haar leed in sleetse lappen en een wreed gelaat. De raden van zeven tonen hun bezems, met streken in vliegende vaart. Pardoes schrobt zij blikken, verbloost en verbleken, zwierig zwaaiend uit straat.

Hij laat haar en staart naar het zwerven waar hij een boek over schrijft, kerft zijn hart gevallen van sterven, uit nerven, wortels en spijt. Hij verleidt ook tijdig zijn bedoeling en lonkt haar naderbij, zo schildert hij beroering, met scherven van hun tijd.

De wegen spreken in zegen, leeg van dromen en blond wederom. De gonzende grom van haar ronde verstomt in de vlezige lach om zijn mond. De wonden breekbaar en week, verbonden in zondige steken, stellen gedwee verzekering waar hij eenzaam voor tekent.

Of tot verbeelding spreekt.



Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het licht en getagged . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie