Gesnapt

Aan alle slapeloze zielen waaraan hij dikwijls denkt, aan alle die er voor hem vielen als hij zijn laatste wensen aan hen wenkt. Hij zal zijn trouw dragen tot de trots haar vragen niet meer slijten kan aan de steen om zijn nek, de dagen, nachtenlang voor de gek.

Gehouden heeft hij en zij evenveel van hem. Tot niets meer was, maar haar stem nog vaag in een plas zopas gebroken geloof. Hij doof voor het onpasselijk vermogen en angst in een poging tot groot, een bijvangst geroofd van een sprankelende hoop. Een leeg glas.

Dapper en dwars, de redenen te over. Het koper dof glanzend van palmen en handen vol avontuur. Het heeft uren geduurd en hij weet nog evenveel als toen. Hij roemde haar zwijgen en zoent haar wang. Ze is allang gevlogen, rokerig dansend proeft hij wrang het zout.

Oud zeer & meer van hetzelfde.


Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het donker en getagged , , . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie