Gevalletje

Het stormt in het kaartenhuis, het duister ruisend langs de ramen. Duizend vreemden en namen onverstaanbaar. Hij kent haar weg inmiddels, de ritselaars in kisten lijken rijk te schijnen als de mitsen met hun buit verdwijnen en de mist. De verfrissingen verplicht nieuwsgierig. Zijn hoop versiert met franje, onverstandig en parmantig tegelijk.

De vrijheid blijkt te veel, al is daaraan geheel geen reden te bespeuren. Open deuren tochten dicht. Licht vervaagt en schaduwen laag langs de hoeden stoelen het vermoeden dat hij weigert. Aan belofte hangt geen prijs was een vriendelijk verzoek. Het bewijs roept enkel vragen, klagend en laf naar de verdragen. Moe van zin en zonder waarde.

De krassen gelaten in het weefsel hecht hij teer als tijd hem gunt, in puntig spel waarvan hij de draad verloor. Gelijke munten klinken hol als doornen hem omarmen met voorname warmte en vleugels aan zijn schouders. De fouten koud en louter ouder.

Om.


Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het donker en getagged , . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie