Omdat winnen niet kon

Hij moet haar laten, de gevaren daar zijn te wazig en de vragen te haastig is wat zij zegt. Plechtig en oprecht, zoveel is vast zeker. Er breken veeg tekenen van trots op de rotsen, opgelost zo blijkt als hij haar blik ontwijkt uit zijn louter losse pols.

In het holst van de nacht, krols onder dekens rekent hij af met beleefde beweging en levert zijn vlag aan haar uit. Struikelend stuiten bezwaren zijn borst en luid wappert het wenen. Een vreemdeling leent hem zonden die hij snijd uit huid en benen.

Zijn leven streeft naar chaos, bij bossen los verwildert, zinderend en zinloos in gillend hard verstild. Met rillingen en rimpels door de aders en over tijd, met sterren die hij schildert op de schaduw van haar zijn met het verlangen naar haar lijf aan zijn lippen.

Verstikkend knoopt betoog zijn strikken, hij likt zijn wonden en kiest voor richting. De verlichting aan de horizon.



Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het donker en getagged , , , . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie