Ont-snappen B

Nog immer was er mist, geen beslissing enkel listig de vergissing in een moment dat niet bleek te tellen. Ze bellen. Gezellig stellen de lopers hun paard achter de toren. Ze horen hier niet thuis. Hij verhuist zijn gedrag in jute zakken en voorzag hen die twisten van berisping.

Terwijl hij aan haar lippen hing dacht hij dingen waar de wilden niet van dromen mochten, als het ooit weer zomer wordt. Zijn tekorten schort hij op en stopt haar bij misschien in lange brieven die zijn dienst bewijzen. De reis is niet ten einde en de nacht is nog jong.

Zijn frons gromt naar bokkige beloften, de doffe dreunen aan de ruif. Verzoekend om wat zij zochten verkocht hij hen gefluister en wuift haar daarna uit. In belang van wat niet vast staat beraadt hij zich op dit vermoeden en wijzigt wellicht nog koel zijn bedoeling.

Met gevoel dat vluchtig de lucht klaart, de namen verwaaid in de jaren en het haardvuur zo tegen de springende winter. De splinters smeulend in haar flinterdun vertrouwen waarmee zij de paden veegt en de oude rafels van tafel. Hij stamelt, bazelt, …

Verlaten.


Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het donker en getagged , . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie