Hands

Het is toch werkelijk niet zo anders als hij dacht, de vlakke lach is gebleven en de zinnen nog lang niet vergeven van voldoende schuld om vannacht met verwachting te bezwaren. De klare taal zingt rond als in de gloed van de haard in berekenende stilte de willende plannen smeden. De redenen zijn eigen, het zwijgen gans node verplicht. Zichtbaar geniet hij aanzien, als de verdienste bovendien.

Wat moeiteloze tafels later slaan heiligen schijnbaar schuchter hun kruis en zij de handen geruisloos ineen. Allen en alleen voor altijd. Hij rijdt weer. Zo is het bekennen uit eer en geweten, geen aanklacht waartegen hij zich verzekeren wil. Het is lang stil gebleven aldus komen de weken zich genadeloos tegen. Daar het nemen een gegeven is dat het leven dragen moet, in goed fatsoen.

Iemand moet het doen.



Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het donker en getagged , . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie