Oostelijk

Zij tovert met beloven als ze kaarten schudt vanuit huis, hij luistert naar de aanhoudende ruis van abusievelijk, kamt zijn kuif en fluit verdrietig mee met Otis. Hij loopt weg. Hij hoopt en zegt mee te leven tot hen de wegen zullen scheiden, vrij van verleden en tijd voorbij.

‘t allerliefste vraagt hij niets om meer, inkeer komt en zeer waarschijnlijk glansrijker dan ooit tevoren. Verloren in het schor en schamele geweten, slepend langs haar gevels en wild doordrongen van haar machteloze greep. De goedgelovigen drinkend op de wezen onder haar zegen nochtans, in dans al zweeft het zwaard van verlaten om haar nader aanstalten, een kalm wuiven van handen in een lucht van oker. Rokerige ogen.

Wenen in winter.



Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het donker en getagged , , , , . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie