De belegen wegen

Uit het veld geslagen gapen de wonden in zijn zij, hij lacht wat in de ochtendzon als hij vrij de kreupele lasten uit zijn lusten blust. Goddelijk gutst het zweet rond dijen en wringt zich zonder dringen in het nauw. Het douw op de stelen van de heg en weg was alles wat overleven zou.

Een koude knispering van kiezels vriezend aan de passen en de slaap, bonzend in het schelle schijnen. Graven stil en roerloos naar geweten en vol hoop verdwijnend, vervlogen in de rook, uit de loop en het geweer.

Als zacht aan haar oever, de ontboezeming in zwijgen wordt ontvangen, een verlangen naar de eenvoud van de onontgonnen leugens. De teugels strak en fier gespannen om de handen van de knecht. Oprecht in ieder opzicht, doch uiterst onvolkomen in verzet.



Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het donker en getagged , , . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie