Eens

Aan dit lichaam zit een einde, het kleine zijn verdwijnt en langs de lijnen van haar tijd zal hij zich vlechten in wat echt ter zake doet. Voorspoedig en alsnog hoedt hij schalks de schapen op het droge en raapt geheel terloops de hete kolen uit het vuur.

Het uur sluipt, in duizelig verlangen aan hun ogenblik voorbij, zelfs voor hij ook maar smeken kan om nog eenmaal haar hand en zij vrij de dagen achter zich gelaten heeft. Bestand tegen het gelijk dat zij zo vonden aan de zijlijn en zich nu dapper begeeft onder het kraken van haar armen roerend in het lege eens.


Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het donker. Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie