Geenszins anders

Als de morgen in het donker valt en zich langs de graven dauw verhangt verlangen zij zonder ritme naar het slepen van de naald. De groeven proeven langzaam van het blauw dat in het nauw en duister luistert naar het tikken van de klok. Wijzer en verrot.

Niet zonder enig besef of ontdaan van bitter lijden danst de tijd zich door de mantel en sluimert aan de rokken van haar pas. Hij wist dat zij zou komen als de droom in hoop vervlogen de rust eindelijk zou manen in de zomer van haar jas. De rode schijn van radeloos verlangen.

Onbevangen en bevredigend meet zij zich een paar, de haren glad gestreken in de richting die zij weken in het beste van dat jaar.

Klaar en afgelopen.



Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het licht en getagged , , , . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie