Nog 1 X

Boos brullen baarden, de straten leeg en niets van waarde dat ontsteeg, broos uit het stof dat grof en grijs de wijzen het zwijgen deed omarmen. De warme hand verzandt in vals licht, de kieren gezwicht voor het zicht op verdichting. De richting blijft ongewis en ik mis haar.

Zij leert niet van het geleden, immer ontevreden en niet voldaan tot aan de maan die half de nacht verplicht met stralend lachen en het gewicht van woorden die niet hoorbaar klinken in het holle glas. Ik was zopas nog daar, aan haar rokken.

Nu klinken de mokken boven tafel, slepen de sokken zich vol gaten en laten eenieder die zich durft te tonen heel alleen. In steen geslagen jagen dagen zich door wonder en door woede waar uit donder al het goede wordt verdronken.

Het pronken zonder veren is gedaan de wolven huilen zacht en ik schrijf weer brieven naar de maan



Dit artikel is geplaatst in Schrijfsels vanuit het donker en getagged , , , . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie